Sluipwesp op Aardappelgal

Er zit meer in een foto dan je denkt ….
Onder dat motto vandaag een artikeltje over enkele foto’s die ik op de eerste dag van deze maand kon maken in het Turnhouts vennengebied.
Dit is één van de bewuste foto’s – wat is hier aan de hand ?

Sluipwesp op Aardappelgal

Sluipwesp op Aardappelgal - Turnhout 01/06/2010

Het begon nochtans eenvoudig: langs het wandelpad stonden een heel aantal zomereiken (Quercus robur). Niet zo ongewoon toch ? Maar wat dadelijk opviel waren de ontzettend grote gallen op de knoppen. Zelden zoveel gallen bij mekaar gezien en zelden zulke grote exemplaren… Toch maar eens van wat dichterbij bekijken dus. Rond de gallen bleek het te wemelen van insecten met een ontzettend lang “aanhangsel” – Sluipwespjes ! Het duurde niet zo heel lang voor we enkele van deze sluipwespen konden betrappen bij hun belangrijkste activiteit: het leggen van eitjes …

Hoe zit een en ander in mekaar?

Een beetje opzoekingswerk thuis leverde toch wel interessante en indrukwekkende resultaten op.  Eerst iets over de gallen.

Deze zogenaamde “Aardappelgallen” worden veroorzaakt door een galwespje (Biorhiza pallida) met twee generaties. De vrouwtjes uit de eerste generatie leggen hun eitjes in de wortels van de zomereik. De eik reageert hierop door de aanmaak van wortelgallen die er uitzien als gladde en sappige, geelbruin tot roodachtige knikkertjes. In deze gal ontwikkelen de larven zich tot ongevleugelde vrouwtjeswespen… enkel vrouwtjes!  In februari sluipen deze jonge vrouwtjeswespen uit en gaan ze op zoek naar de zomereik zelf.  Te voet dus, want vleugels hebben ze niet ! Ze klimmen tot bij de takken van de boom om daar te zoeken naar de knoppen van de takken om opnieuw hun eitjes te leggen.  Aangezien deze generatie enkel uit vrouwtjes bestaat – kunnen de eitjes dus niet bevrucht zijn!  Het verschijnsel dat maagdelijke vrouwtjes toch eieren kunnen leggen en zo voor nakomelingen zorgen, komt in de insectenwereld wel vaker voor en wordt parthogenese genoemd.

De eik reageert op de zopas gelegde eitjes wederom met het aanmaken van een gal – ditmaal de Aardappelgal, die een gemiddelde doorsnede heeft van 1 tot 3 cm. Binnen in de gal zitten verschillende kamertjes met daarin steeds een witte larve. Deze larven groeien uit tot de 2de generatie: een sexuele generatie met zowel mannetjes als vrouwtjes. Kort na het uitsluipen zal de paring plaatsvinden en kunnen de bevruchte vrouwtjes opnieuw hun eitjes gaan leggen in de wortels van de eik … De Aardappelgal zal langzaam wegrotten maar blijft meestal nog tot in de winter zichtbaar.

Sluipwesp op Aardappelgal

Sluipwesp op Aardappelgal - Turnhout 01/06/2010

Dat op zich is al een ongelooflijk verhaal van moedertje natuur. Maar wat doen die sluipwespjes daar dan ?
Sluipwespen (Ichneumonoidea) zijn parasieten van andere insecten. De vrouwtjes zijn voorzien van een lange legboor die netjes opgeborgen zit in een schede aan de achterzijde van het lichaam. Op de foto zie je de heel erg lange “staart” – dat is dus de schede met daarin de legboor.

Sluipwesp op Aardappelgal

Sluipwesp op Aardappelgal - Turnhout 01/06/2010

Sluipwesp op Aardappelgal

Sluipwesp op Aardappelgal - Turnhout 01/06/2010

Deze sluipwespjes zijn blijkbaar goed op de hoogte dat in de Aardappelgal larven leven. Ze proberen met voornamelijk hun geurzin door het dikke galweefsel de galwesplarfjes te lokaliseren. Eens een larve aan de binnenzijde gevonden, richt de sluipwesp haar achterlichaam op en komt de legboor uit de schede om zo goed als loodrecht een miniscuul gaatje te boren dwars door de gal tot IN de larve. Daar deponeert de sluipwesp een eitje. Wanneer dit eitje uitkomt, zal het de oorspronkelijke galwesplarve als voedsel gebruiken … De natuur kan wreed zijn … maar tegelijkertijd toch ook ongelooflijk ingenieus …

Sluipwesp op Aardappelgal

Sluipwesp op Aardappelgal - Turnhout 01/06/2010

Nog een eigenaardigheid bij sluipwespen: wanneer een bevrucht eitje uitkomt zal dit een vrouwtje opleveren, bij een onbevrucht eitje zal het een mannetje worden …  Ook voor deze uitzonderlijke manier van voortplanten heeft de wetenschap een naam: arrhenotokie.
Er zijn vele duizenden soorten sluipwespen die allen heel erg gespecialiseerd zijn in de insecten en de manier waarop ze parasiteren. Een correcte naam voor deze soort heb ik tot hiertoe niet kunnen vinden, maar het verhaal er achter wordt er niet minder boeiend door.

Sluipwesp op Aardappelgal

Sluipwesp op Aardappelgal - Turnhout 01/06/2010

Sluipwesp op Aardappelgal

Sluipwesp op Aardappelgal - Turnhout 01/06/2010

Er zit soms écht veel meer verhaal achter een foto dan je denkt …

Geplaatst in Dieren. Tags: , , . 1 reactie »

Sint-jansvlinder

Sint-jansvlinder (Zygaena filipendulae)

Sint-jansvlinder (Zygaena filipendulae) - Broechem 08/06/2010

Begin juni begint de vliegperiode van de Sint-jansvlinder (Zygaena filipendulae). De Nederlandse naamgeving werd afgeleid van de naamdag van Sint-Jan die op 24 juni valt en meestal een hoogtepunt in de vliegperiode van deze vlinder is. Als alternatieve naam wordt ook wel eens “Bloeddropje” gebruikt wat dan weer verwijst naar de rode stippen die erg opvallen bij deze kleurrijke dagactieve nachtvlinder uit de familie van de “Bloeddropjes” of Zygaenidae . Ook “Bloedvlekvlinder” en “zes-stippige st.jansvlinder” zijn namen die nogal eens gebruikt worden voor deze soort.

De waardplanten voor deze soort zijn voornamelijk Gewone Rolklaver en Moerasrolklaver. Eitjes worden hierop afgezet en ontwikkelen zich tot een groenachtig gele rups met een eerder plomp en gedrongen lichaam en een zwakke witte beharing. Op de rug zien we een dubbele rij zwarte vlekken en aan weerszijden van deze zwarte vlekken een rij gele vlekjes. Ook aan beide zijden van het lichaam is een rij zwarte vlekjes, die bij sommige bleke exemplaren echter kunnen ontbreken. Het is vaak niet echt makkelijk om op het eerste zicht de kop van de rups te ontdekken. De beste gids hierbij is de vorm van de poten, waarbij je best zoekt naar de borstpoten die duidelijk anders zijn dan de buikpoten en de naschuiver.

Sint-jansvlinder (Zygaena filipendulae) - Rups

Sint-jansvlinder (Zygaena filipendulae) - Rups - Broechem 08/06/2010

Op de detailfoto van het lichaam van de rups kan je mooi de ademhalingsopeningen zien in elk segment. Zoek op de foto naar een zwart cirkeltje met daarin een recht geel lijntje…

Sint-jansvlinder (Zygaena filipendulae) - Rups

Sint-jansvlinder (Zygaena filipendulae) - Rups - Broechem 08/06/2010

De rups overwintert één-, soms tweemaal en verpopt zich in een cocon, die goed zichtbaar tegen een grasstengel of een andere plant is aangebracht.

Sint-jansvlinder (Zygaena filipendulae) - Cocon

Sint-jansvlinder (Zygaena filipendulae) - cocon - Broechem 13/06/2009

De vlinder herken je het makkelijkst door glanzend zwarte (soms groenige) voorvleugels met 6 rode vlekken. Wel even opletten: de rode vlek aan de vleugelbasis (het dichtst bij de kop) lijkt vaak op 1 vlek, maar is gescheiden door een ader en telt voor twee. Aan het vleugeleinde zitten dus steeds 2 rode vlekken.
De achtervleugels zijn rood met een zwarte rand, maar die zijn meestal slecht tijdens het vliegen te bekijken.

Je kan deze soort aantreffen in bloemrijke graslanden, wegbermen, kalkgraslanden, weilanden, brede bospaden en duinen. De soort is helemaal niet zeldzaam.  De mannetjes maken patrouillevluchten, op zoek naar onbevruchte vrouwtjes en parende koppeltjes kan je meestal makkelijk aantreffen.

Sint-jansvlinder (Zygaena filipendulae) - Paring

Sint-jansvlinder (Zygaena filipendulae) - Paring - Broechem 13/06/2009

Grote keizerlibel

De Grote keizerlibel (Anax imperator) is met zijn 64-84 mm de grootste vertegenwoordiger uit de familie van de Glazenmakers (Aeshnidae) in ons land.  De vliegtijd is van half mei tot en met eind oktober, maar de meeste aantallen kan je van half juni tot eind augustus vinden.  Dat het een geducht jager is blijkt ook uit de naamgeving: Anax (>Grieks) = “heerser” en imperator (>Latijn) = “keizer, meester”. Net als de andere glazenmakers maakt de Grote keizerlibel lange jachtvluchten op beschutte plaatsen, zoals bosranden en heidevelden of patrouilleren ze langdurig boven het water en de oever waarbij andere libellen worden daarbij verjaagd en soms grote prooien gegrepen worden, zoals vlinders en andere libellen.

Enkele opvallende kenmerken voor deze soort zijn de groene ogen (bij het mannetje met een blauwe streep bovenaan) met een kenmerkende donkere vlek tussen de ogen, het compleet groene borststuk, vrijwel zonder tekening en de brede lengtestreep over de rug.  Bij het mannetje is het achterlijf hemelsblauw met een zwarte rugstreep, bij het vrouwtje fletsblauw tot blauwgroen met een zeer brede, roodbruine rugstreep.  Pas uitgeslopen dieren hebben een gelig achterlijf.  Jonge dieren hebben een kenmerkende gele dwarsstreep op segment 2 van het achterlijf. (goed te zien op de tweede onderstaande detailopname).

De onderstaande foto’s tonen details (de eerlijkheid gebied me te zeggen dat dit uitsnedes zijn uit grotere foto’s) van een vrouwelijk exemplaar, wellicht nog niet lang uitgeslopen.

Grote keizerlibel (Anax imperator)

Grote keizerlibel (Anax imperator): Voorhoofd en ogen - Ekeren 28/05/2010

Grote keizerlibel (Anax imperator)

Grote keizerlibel (Anax imperator): aanhechting van de vleugels - Ekeren 28/05/2010

Grote keizerlibel (Anax imperator)

Grote keizerlibel (Anax imperator): Vleugelpatroon - Ekeren 28/05/2010

Grote keizerlibel (Anax imperator)

Grote keizerlibel (Anax imperator): Achterlijfsegmenten 6 & 7 - Ekeren 28/05/2010

Grote keizerlibel (Anax imperator)

Grote keizerlibel (Anax imperator): Achterlijfaanhangsels - Ekeren 28/05/2010

Grote keizerlibel (Anax imperator)

Grote keizerlibel (Anax imperator): ogen en borststuk - Ekeren 28/05/2010

Voorjaarsuitstap SEMO

Zaterdag 15 mei was het eindelijk zover: De eerste excursie met SEMO (Studiegroep Europese en Mediterrane Orchideeën) van dit jaar.  Als reisdoel kozen we voor de ruime omgeving van Durbuy in de provincie Luxemburg.  Na de ongewoon koude eerste veertien dagen van mei  is de flora duidelijk wat achterop geraakt en zijn de meeste orchideeënsoorten een week tot 14 dagen achter op hun normale bloeischema.  Toch konden we reeds enkele soorten in bloei vinden, de anderen stonden vaak met hun knopjes te wachten op iets warmere zonnestralen.  Hieronder enkele impressies van een geslaagde excursie waar nog heel wat meer te zien en te beleven was dan enkel maar orchideetjes…

SEMO-uitstap

Wie zoekt.... kan de anderen even op weg helpen ...

SEMO-uitstap

Lunchpauze onder een lichtbewolkte hemel - deugddoend !

SEMO-uitstap

Libellula depressa (Platbuik) - pas uitgeslopen vrouwtje

SEMO-uitstap

Een imker op zoek naar de koningin

SEMO-uitstap

Ieder zijn persoonlijk foto-onderwerp (Orchis mascula)

SEMO-uitstap

Ook de kinderen konden naar hartelust onderzoeken en fotograferen

Anguis fragilis (Hazelworm)

SEMO-uitstap

Ook de voorzitter heeft zijn keuze gemaakt

SEMO-uitstap

Orchis mascula (Mannetjesorchis)

Primula veris (Gulden sleutelbloem) en Anacamptis morio (Harlekijn)

SEMO-uitstap

Anacamptis morio (Harlekijn) - kleurvariaties

Jonge Kruisspinnetjes

Het lijkt een vreemd moment om een artikel te schrijven over de Kruisspin (Araneus diadematus) die we toch voornamelijk in de herfstperiode tegenkomen.  In deze periode van het jaar kan je echter her en der verspreid in de vegetatie of andere plekken, nesten vinden van pas uitgekomen Kruisspinnetjes.

Kruisspin (Araneus diadematus) juveniel

Kruisspin (Araneus diadematus) juveniel - Wijnegem 01/05/2010

Kruisspin (Araneus diadematus) juveniel

Kruisspin (Araneus diadematus) juveniel - Wijnegem 01/05/2010

In de herfst worden (na de bevruchting) door het vrouwtje de eieren afgezet in een cocon die er uitziet als een wattig bolletje.  De eitjes overwinteren in deze cocon en  in de lente komen de jonge spinnetjes – ook wel eens “spiderlings” genoemd – te voorschijn.  Heel kenmerkend is hun  geel-zwarte lichaamskleur.  De eerste dagen van hun leven houden de jonge spinnen zich  op in een van spinsel gemaakt nest.  Ze kruipen dicht bij mekaar en vormen aldus een erg compact hoopje – een typische manier om “groter” te lijken voor mogelijke predatoren.

Kruisspin (Araneus diadematus) juveniel

Kruisspin (Araneus diadematus) juveniel - Wijnegem 01/05/2010

Wanneer er verstoring van het nest is (en dat kan al bij een felle windvlaag die het nest heen en weer schudt), verspreiden de jongen Kruisspinnen zich razendsnel in alle mogelijke richtingen – weer een afleidingsmanoeuvre voor mogelijke predatoren.  Als het gevaar geweken is, komen de jonge spinnetjes weer netjes samen in hun nestje.

Kruisspin (Araneus diadematus) juveniel

Kruisspin (Araneus diadematus) juveniel - Wijnegem 01/05/2010

Kruisspin (Araneus diadematus) juveniel

Kruisspin (Araneus diadematus) juveniel - Wijnegem 01/05/2010

De eerste 7 tot 10 dagen leven ze van het voedsel in hun dooier.  Daarna klimmen ze zo hoog mogelijk in een plant en laten ze uit hun achterlijf een lange draad de lucht in zweven. Deze draad wordt door de wind opgepakt en neemt de jonge spin mee de lucht in. Zo verspreiden de kleine spinnetjes zich -terwijl ze niet kunnen vliegen- door de lucht en kunnen honderden meters verder terechtkomen.

Kruisspin (Araneus diadematus) juveniel

Kruisspin (Araneus diadematus) juveniel - Wijnegem 01/05/2010

Tot slot nog een leuk weetje: De Kruisspin is verkozen tot Europese spin van 2010.
Aan de jaarlijkse verkiezing namen 78 juryleden-wetenschappers uit 21 Europese landen deel.

Agaatvlinder

Wat een verrassing toen ik zaterdagmorgen, 1 mei, uit de tuin terug naar binnen kwam en op de drempel een pracht van een vlinder zag zitten.  Bij het buitengaan had ik hem totaal niet opgemerkt, hij hing immers als het ware op de zijkant van de drempel verscholen.  Vlug mijn fototoestel en macrolens gehaald en dan maar hopen dat hij er een tijdje wou poseren.  En ja hoor – gewillig liet dit prachtexemplaar een heuse fotoshoot toe.

Agaatvlinder

Agaatvlinder (Phlogophora meticulosa) - Wijnegem 01/05/2010

Met de veldgids “Nachtvlinders” van Warring en Townsend erbij, bleek de soort al heel snel gevonden: de Agaatvlinder (Phlogophora meticulosa L. 1758).  De soort behoort tot de behoorlijk grote familie van de uilen (Noctuidae).

In België en Nederland blijkt de soort niet echt zeldzaam te zijn en je kan hem vinden van mei tot oktober in twee generaties op zowat alle soorten terreinen.  De vlinder wordt heel vaak  gezien in tuinen.  Overdag rust de vlinder onbeschut op muurtjes en paaltjes.  Precies de plek dus waar ik hem ook heb aangetroffen!

Agaatvlinder

Agaatvlinder (Phlogophora meticulosa) - Wijnegem 01/05/2010

Agaatvlinder

Agaatvlinder (Phlogophora meticulosa) - Wijnegem 01/05/2010

De Nederlandse naam is al in gebruik sinds het begin van vorige eeuw (Ter Haar in ‘Onze vlinders’ ) en is afgeleid van de kleur en tekening de sprekend lijkt op de veelkleurige siersteen agaat.  De wetenschappelijke naam “Phlogophora” is afgeleid van  “phlox, phlogos” = een vlam en “phoreo” = dragen; en “meticulosa” van “meticulosus” = angst en angstaanjagend.  De typische rusthouding van de vlinder is met opgevouwen vleugels.  Deze houding  maakte op Linnaeus (die de naam gaf) de indruk van een ineengedoken, bang vogeltje.

Als waardplanten komen allerlei kruidachtige planten, struiken en loofbomen, waaronder zuurbes, brandnetel, hop, spoorbloem, zuring, braam, hazelaar, berk en eik in aanmerking.

Tot slot nog enkele details van de prachtige vleugels – zelfs daarvoor bleef de vlinder gewillig poseren !

Agaatvlinder

Agaatvlinder (Phlogophora meticulosa) - Wijnegem 01/05/2010

Agaatvlinder

Agaatvlinder (Phlogophora meticulosa) - Wijnegem 01/05/2010

Rosse woelmuis

Misschien ken je het wel: een hevig geritsel tussen de opgedroogde blaadjes tijdens een boswandeling en met wat geluk een glimp van een wegspurtend muisje.  Afgelopen donderdag zat ik zandbijen te fotograferen (zie eerder berichtje) toen datzelfde geritsel mijn aandacht trok en enkele meter verder een Rosse woelmuis (Clethrionomys glareolus) – die me duidelijk niet had opgemerkt – vrolijk op zoek was naar wat voedsel (of gewoon wat wou genieten van het lentezonnetje zoals ik).

Ik liet de zandbijen dus maar even voor wat ze waren en probeerde voorzichtig op ellebogen en knieën wat dichterbij te kruipen om een mooi portretje te maken.  Het muisje trippelde rustig verder tot achter een grote Beuk en mijn hoop was dat ik door langs de andere kant van de stam te kruipen, dicht genoeg zou kunnen komen om ze vast te leggen.  Groot was mijn verbazing dat aan de achterzijde geen muis meer te bekken was …

Rondspeurend werd mijn aandacht getrokken door een kleine holte onderaan de beukenstam waarin een kleine beweging te merken was …  de muis !  Ik posteerde me plat op de grond voor de in- / uitgang van het holletje in de hoop dat …  Waar ik me echter niet volledig van bewust was: ik lag ondertussen midden op het wandelpad plat op mijn buik aan de voet van een grote Beuk.  Een aankomende wandelaar bezorgde ik  op die manier het idee dat ik een hartaanval gekregen had …  Een hilarische situatie waar goed om gelachen kon worden.

Het wachten werd uiteindelijk beloond – het muisje, aanvankelijk duidelijk wat angstig voor de macrolens die op haar gericht was, bleek toch wat te wennen en  stemde geleidelijk in met een rustige fotosessie…  Aan het einde  wandelde ze rustig weg, zo dicht mogelijk langs de stam – verder over mijn voet – zo de verdorde beukenblaadjes in om dan, even snel en flitsend als meestal, weg te trippelen.  Mijn visitekaartje voor nabestellingen wou ze niet meenemen…

Rosse woelmuis (Clethrionomys glareolus) - Schilde 25/03/2010

Rosse woelmuis (Clethrionomys glareolus) - Schilde 25/03/2010

Rosse woelmuis (Clethrionomys glareolus) - Schilde 25/03/2010

Rosse woelmuis (Clethrionomys glareolus) - Schilde 25/03/2010

Geplaatst in Dieren. Tags: . Reageer »

Zwart-rosse zandbij

De mosjes zullen toch even moeten wachten op een volgende post.  Vandaag was ik immers wat onverwacht getuige van het uitvliegen van de Zwart-rosse zandbij (Andrena clarkella).

Zwart-rosse zandbij (Andrena clarkella) - Schilde 24/03/2010

Zandbijen zijn een grote bijengroep (geslacht Andrena) van solitair levende bijen waarvan in de Benelux tussen de  70 en 80 soorten voorkomen.   Door hun vaak sterke beharing doen ze aan hommels denken, maar hun achterlijf is veel slanker en langwerpiger.  Sommige soorten zijn slechts  4 mm lang, terwijl de grootste tot 16 mm langkunnen worden . Het is meestal niet zo eenvoudig om de verschillende soorten te determineren.  Daarbij komt nog dat mannetjes vaak anders (en veel kleiner) dan vrouwtjes zijn. Vrouwtjes hebben speciale haren aan de achterpoten die een korfje vormen waarmee pollen wordt verzameld.

De Zwart-rosse zandbij die ik vandaag zag, is een heel vroeg in het voorjaar vliegende zandbij. In zachte winters kan men eind februari zowel mannetjes als vrouwtjes van de Zwart-rosse zandbij door het gehele land aantreffen. Zelfs bij relatief lage temperaturen van 10 graden celsius is er al activiteit. De grote wijfjes zijn met hun roodbruin behaarde borststuk en achterschenen gemakkelijk in het veld te herkennen. De soort nestelt in vrij kleine concentraties in de grond (zoals de naam al wel deed vermoeden) op plekken met weinig begroeiing en zandpaden. Zoals al gezegd leven Zandbijen solitair en vormen ze dus geen staat, maar meerdere vrouwtjes nestelen vaak wel graag bij elkaar in de buurt en soms wordt hetzelfde nestingangetje door meerdere vrouwtjes gedeeld.  Na het verlaten van het nest wordt de nestingang afgesloten. De vrouwtjes vliegen uitsluitend op bloeiende boswilg binnen een afstand van gemiddeld 300 meter van de nestplaats. Deze wilgensoort is onze vroegst bloeiende wilg.

Maar voordat ze de grond uitkruipen willen ze wel zeker zijn of het buiten al warm genoeg is. Om dat te kunnen voelen steken ze soms voorzichtig een sprietje door het zand heen naar buiten. Het is een grappig gezicht om die sprietjes waar te nemen. Dan merk je plots meer en meer beweging in de zandkorreltjes en komt aarzelend het hoofdje buiten de nestgang piepen….

Zwart-rosse zandbij (Andrena clarkella) - Schilde 24/03/2010

Zwart-rosse zandbij (Andrena clarkella) - Schilde 24/03/2010

Zwart-rosse zandbij (Andrena clarkella) - Schilde 24/03/2010

Zwart-rosse zandbij (Andrena clarkella) - Schilde 24/03/2010

Zwart-rosse zandbij (Andrena clarkella) - Schilde 24/03/2010

Hopelijk kan ik een van de volgende dagen nog een keer terug om met wat extra verlichting de hele bijtjes vast te leggen – door de wat donkere omstandigheden zijn die foto’s jammer genoeg niet helemaal geslaagd :-)

Geplaatst in Dieren. Tags: , , . Reageer »

Van de eekhoorn geen spoor … (of toch ?)

Eekhoorn (Sciurus vulgaris) : Prentafdruk in de sneeuw - Schilde 07/01/2010

Eekhoorn (Sciurus vulgaris) : Prentafdruk in de sneeuw - Schilde 07/01/2010

Sneeuw, sneeuw en sneeuw ..

Nu al enkele dagen lonkt het witte sneeuwtapijt.  Het vraagt er gewoon om de camera te nemen en erop uit te trekken.

De voorbije dagen hielden werkomstandigheden of een dik wolkendek me echter nog binnen.  Vandaag, donderdagnamiddag,  kon ik er eindelijk in een vrieszonnetje even op uit.

Een eerste post op deze gloednieuwe blog is het resultaat.

Al snel stuitte ik op deze diersporen, afgedrukt in het vers gevallen dunne sneeuwlaagje op een stevige ijslaag.
Welk dier heeft hier gelopen ?  Gezien de afstand tussen de verschillende groepjes pootafdrukken – zo een 30 cm – moet het een redelijke springer zijn.  Opvallend ook:  twee relatief kleine pootjes en twee met een grotere zool, lange tenen met lange dunne nagels.  Zou het een Eekhoorn kunnen zijn ?

Aan de loopsporen van een Eekhoorn (Sciurus vulgaris – Linnaeus, 1758) kan je zien dat hij niet over de grond loopt, maar springt. De afstand tussen twee prentafdrukken in die zogenaamde ‘sprongengalop’ is normaal ongeveer 40 cm.  Hier iets minder dus, maar zelf zet je op glad ijs toch ook geen reuzenstappen… Op de foto’s kan je ook duidelijk zien dat de afdruk van de grotere achterpootjes staat voor die van de kleinere voorpootjes.

De eekhoorn legt een wintervoorraad aan van harde boomvruchten zoals eikels en beukennootjes.  Ze kunnen die met hun scherpe reukzin soms terugvinden onder een sneeuwlaag van een meter.  Doordat ze echter niet steeds al hun aangelegde voorraden terugvinden dragen ze zo bij tot de verspreiding van verschillende plantenzaden.

Was dit exemplaar op zoek naar zijn naarstig bijeengezochte voorraadje om deze koudeperiode door te komen?  Ik zal het nooit weten:  de sporen leidden na wat gekronkel naar de overkant van de gracht en het ijslaagje was wel dik genoeg voor een eekhoorn, maar niet draagkrachtig genoeg om het zelf verder te kunnen volgen.

En van de eekhoorn zelf was geen spoor meer te bekennen … (of toch ?).

Eekhoorn (Sciurus vulgaris) : Prentafdruk in de sneeuw - Schilde 07/01/2010

Eekhoorn (Sciurus vulgaris) : Prentafdruk in de sneeuw - Schilde 07/01/2010

Geplaatst in Dieren, Winter. Tags: , . Reageer »
Follow

Get every new post delivered to your Inbox.