Het lijkt een vreemd moment om een artikel te schrijven over de Kruisspin (Araneus diadematus) die we toch voornamelijk in de herfstperiode tegenkomen. In deze periode van het jaar kan je echter her en der verspreid in de vegetatie of andere plekken, nesten vinden van pas uitgekomen Kruisspinnetjes.
In de herfst worden (na de bevruchting) door het vrouwtje de eieren afgezet in een cocon die er uitziet als een wattig bolletje. De eitjes overwinteren in deze cocon en in de lente komen de jonge spinnetjes – ook wel eens “spiderlings” genoemd – te voorschijn. Heel kenmerkend is hun geel-zwarte lichaamskleur. De eerste dagen van hun leven houden de jonge spinnen zich op in een van spinsel gemaakt nest. Ze kruipen dicht bij mekaar en vormen aldus een erg compact hoopje – een typische manier om “groter” te lijken voor mogelijke predatoren.
Wanneer er verstoring van het nest is (en dat kan al bij een felle windvlaag die het nest heen en weer schudt), verspreiden de jongen Kruisspinnen zich razendsnel in alle mogelijke richtingen – weer een afleidingsmanoeuvre voor mogelijke predatoren. Als het gevaar geweken is, komen de jonge spinnetjes weer netjes samen in hun nestje.
De eerste 7 tot 10 dagen leven ze van het voedsel in hun dooier. Daarna klimmen ze zo hoog mogelijk in een plant en laten ze uit hun achterlijf een lange draad de lucht in zweven. Deze draad wordt door de wind opgepakt en neemt de jonge spin mee de lucht in. Zo verspreiden de kleine spinnetjes zich -terwijl ze niet kunnen vliegen- door de lucht en kunnen honderden meters verder terechtkomen.
Tot slot nog een leuk weetje: De Kruisspin is verkozen tot Europese spin van 2010.
Aan de jaarlijkse verkiezing namen 78 juryleden-wetenschappers uit 21 Europese landen deel.





